2.1.1 Terminal
Scherm en toetsenbord: input > Centrale computer> berekening > output > scherm. Elk progamma werd gedraaid op het mainframe (Centrale computer), progammas waren opgelsagen op HDDs/tapes van mainframe of ponskaarten/ -banden van gebruikers PC: Personal Computer, standalone computer, gemaakt in 1981 door IBM. progamma’s draaien nu lokaal. Lokaal Neterk: Verbonden PC’s om data uit te wisselen. Via het internet gegevens op te vragen , is een combinatie van central rocessing ej distributed porcessing. De gegevens worden gestuurd in HTML, en op het lokale device wordt het vertaalt in de browsersoftware. voordelen van een netwerk: - minder aanschafkosten voor een netwerk - gelijktijdige toegang tot gemeenschappelijke gegevens - hulpbronnen gemeenschappelijk gebruiken - toegang tot internet is veel beter beschermd, (gebruik via een losse server) - makkelijk onderling gegevens uitwisselen. Cloud computing: data en berekeningen op server. Min mogelijk beheer gebruikers. Internet NODIG, eigen data geen beheer.
2.1.2 Topologieen
er zijn 4 belangrijkste topologien: - busnetwerk, alle pc’s zijn in serie geschakeld, data moet door andere pc’s heen om bij de eindbestemming te komen. - ringnetwerk, alle pc’s zijn bij een ring aangesloten op elkaar. Als een schakeling uitvalt, kan data vertragen. - maasnetwerk, elke pc is aan elkaar aangesloten. Als de ene verbinding vol is, kan je een andere route nemen. - sternetwerk, alle verbindingen komen samen op een centraal punt. Als de centrale computer uitvalt, werkt het netwerk niet meer. Uitbreiding is geen groot probleem, alleen veel bekabeling. Centrale punt wordt gevormd door een switch.
Lan hebben tegenwoordig een ster/maastopologie. Als je thuis een aantal PCs op de ASDL-modem aansluit, heb je een sternetwerk gelegd. Grote netwerken > Sternetwerk, extra verbindingen op belangrijke plekken (onvolledig maasnetwerk.) Fysiek netwerk: Topologie logisch netwerk: Vorm.
2.1.3 Server
Pc met veel storage en ram, gebruikt voor - fileserver, opslaglocatie - applicatieserver, waar applicaties draaien - printserver, waar printopdrachten worden afgehandeld - mailserver, vervoersregelaar mailtjes - webserver, ontvangt aanvragen voor webpaginas en verstuurt die ook. - internetserver, zorgt dat internetverbindingen mogelijk is. het woord server heeft 2 betekenissen: een kast met hardware, of de software op de server. De hardware heeft wel software nodig om diensten te leveren. Beveiliging server: afgesloten ruimte, constante temp., speciaal blussysteem met gassen, nood-powersupply (UPS). Cloudcumputing: Server van een ander bedrijf wat eigen servers vermindert. NAS: miniPC + veel storage, aangesloten op netwerk, voor dataopslag en backups. veel fileservers hebben veel HDDs en maken gebruik van redundante opslag (een soort van backup; 2 exacte kopieen die op verschillende HDDs worden opgeslagen). Clients: Werkstation die draaien op server waar gebruikers op werken. Fat client: Onafhankelijk van centrale computer. (draait op OS X of windows) Thin client: zeer afhankelijk van centrale computer. Bestanden op server. Makkelijk van client kunnen switchen. Thin Web client: device met webbrowser; alle apps/gegevens staan op server, internetconnectie is nodig.
2.1.4
netwerken worden beveiligd door -fysieke toegansgsbeveiliging: gebruik van fysieke sleutels: rfid-passen of usb-sleutels. -logische toegangsbeveiliging softwarematig, meestal met een wachtwoord en vaststellen van welke gebruiker. bepaalde groepen gebruikers hebben andere rechten dan andere groepen. -netwerk met strong authentication combineert fysiek en logische toegangsbeveiliging, denk aan twee-factor-authenticatie -firewall (combinatie digitaal en fysieke beveiliging) zorgt ervoor dat bepaalde vormen van verkeer tussen netwerken onmogelijk te maken.